Gebit afwijkingen

Bron: Dierengebit.nl

Inleiding.
De voorouders van de moderne hond zijn zo’n 37-38 miljoen jaar geleden ontstaan. Ongeveer 1,5 miljoen jaar geleden ontstond daaruit de wolf, zoals wij die nu nog kennen. De eerste aantoonbare domesticatie van de wolf is zo’n 15.000-10.000 jaar geleden begonnen. Waarschijnlijk werd de tamme wolf gebruikt als waakhond, als herdershond en voor de jacht. De grijze wolf wordt dan ook gezien als de voorvader van de moderne hond.

Selectie.
Vanaf toen werden er ook eisen gesteld aan het gedrag en het uiterlijk van de wolf en begon men te selecteren op bepaalde eigenschappen. Hieruit is de moderne hond in al zijn soorten en variëteiten ontstaan. Ook nu nog bepaalt de mens voor een groot deel het uiterlijk en de gedragseigenschappen van de hond.

Gevolgen.
Deze diversiteit van rassen heeft ook zijn invloed gehad op het gebit van de hond. Met name bij afwijkende schedelvormen (hele korte of juist hele lange schedel) komt de ontwikkeling van het gebit in het gedrang.

Het normale gebit:
Carnivoor.
De hond heeft een carnivoren gebit. Dat betekent dat het gebit geschikt is om een prooi mee te vangen en te verscheuren. De sterke hoektanden vervullen een belangrijke functie bij het vangen van de prooi, de grote knipkiezen bij het verscheuren ervan.

Ontwikkeling.
Het gebit van de hond ontwikkelt zich al in de baarmoeder: de tandkiemen voor zowel het melk- als het blijvende gebit worden al voor de geboorte aangelegd. Net als de mens heeft de hond een melk- en een blijvend gebit.

Wisselen.
De puppies worden tandloos geboren. De eerste elementen van het melkgebit komen 2-4 weken na de geboorte door.

Het blijvende gebit begint zich verder te ontwikkelen op het moment dat de kaken gegroeid zijn; de elementen van het blijvende gebit zijn namelijk een stuk groter dan het melkgebit. Door de groei van de blijvende elementen worden de wortels van het melkgebit geresorbeerd en valt het melkgebit uiteindelijk uit.

Tand Doorbraaktijdstip
Melkgebit
Wisseltijdstip
Blijvend gebit
Snijtanden 3 – 4 weken 3 – 5 maanden
Haaktanden 3 – 5 weken 5 – 7 maanden
Premolairen 4 – 12 weken 4 – 6 maanden
Molairen 4 – 7 maanden

Doorkomen van melk- en blijvend gebit.

gebit.jpg - 46068 Bytes
Tandformule.
De soorten en aantallen van het gebit van de hond worden weergegeven in een zogenaamde tandformule. Voor de hond ziet deze er als volgt uit:

3 1 4 2
2---:---:---:---
3 1 4 3

Dit betekent dat een hond 12 snijtanden, 4 hoektanden, 8 premolairen en 10 molairen heeft.

Afwijkingen on het aantal tanden kunnen erfelijk of niet erfelijk zijn.

Het kan voorkomen dat er te weinig of teveel tanden of kiezen aangelegd worden.

Te weinig.
Bij te weinig gebitselementen of een niet gevormd element spreekt men van ondertal. De tandkiem kan dan bijvoorbeeld niet aangelegd zijn of er kan een probleem met de tandkiem zijn opgetreden. Oorzaken kunnen zijn: infectieziektes, ontstekingen, rontgenstraling. Meestal geeft een niet aangelegd element geen problemen.
Te veel.
Bij te veel gebitselementen spreekt men van overtalligheid. ook wordt wel hyperdontie of polydontie gebruikt.

De extra tand of kies geeft vaak problemen en kan beter getrokken worden. Indien het niet duidelijk is of het een apart element is moet er een rontgenfoto gemaakt worden om de wortels te beoordelen. Soms worden er namelijk uit 1 tandkiem meerdere tanden gevormd.


N.B.
Bij Bulldoggen komt vaak een ondertal voor, en dit is vaak een erfelijke afwijking. Met het fokken dient men er rekening mee te houden dat het gebit het belangrijkste gereedschap is van onze hond. Men moet dus streven naar een voltallig gebit.